Vrijdag 3 april 2026 om 19:30 uur

Eredienst in de Kapel
Voorganger(s): Ds. Iet Buijser
Ouderling(en): Jenny Lausberg
Organist: Herman Lammers


De eredienst is te volgen via Facebook (video) of Kerkdienst gemist (alleen audio).

STILTE
v:         Eeuwige wees ons genadig
g:         OP U HOPEN WE
v:         Wees onze sterkte, iedere dag
g:         OOK ONZE HULP IN TIJDEN VAN NOOD

Psalm 22 : 1, 2, 3 en 4 
1          Mijn God, Mijn God, waarom verlaat Gij mij
en blijf zo ver, terwijl ik tot U schrei,
en redt mij niet, maar gaat aan mij voorbij?
Hoe blijft Gij zwijgen?
Mijn God, ik doe tot U mijn kreten stijgen
bij dag, bij nacht. Tot U slechts kan ik vluchten,
maar krijg geen rust, geen antwoord op mijn zuchten
in klacht op klacht.

2          Nochtans, op U, o God die heilig zijt
en troont op lofgezangen, U gewijd
door Israël dat Gij hebt uitgeleid,
steunt ons vertrouwen,
immers, de vaad’ren bleven op U bouwen,
dat Gij hen nam in heilige bescherming:
Gij hebt, als zij U riepen om ontferming,
hen niet beschaamd.

3          Maar ik, mijn God, lig machteloos terneer.
Ik word vertrapt, ik heb geen leven meer.
Meesmuilend gaan zij tegen mij tekeer,
al die mij smaden.
Zij raden mij, terwijl zij mij verraden:
‘Zoek het bij God, geef Hem uw leed te dragen,
Hij zal u redden naar zijn welbehagen’,
zo klinkt hun spot.

4          Gij die mijn ogen 't levenslicht ontsloot,
mij hebt geroepen uit de moederschoot,
mij aan mijn moeders borst een rustplaats bood,
voor kwaad beveiligd,
Gij hebt mij U ten eigendom geheiligd.
Gij, die alleen mijn God zijt en mijn Vader,
blijf mij niet ver, want nu het onheil nadert
helpt mij niet een.

DIENST VAN HET WOORD

Exodus 12, 21-28
21Toen riep Mozes de oudsten van Israël bij elkaar. ‘Elke familie moet een lam of een bokje kiezen,’ zei hij, ‘en dat moet worden geslacht als pesachoffer. 22Laat ieder daarna een bos majoraantakken nemen, die in de schaal met bloed dopen en het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten strijken. Ga dan tot de morgen de deur niet uit, 23want de HEER zal door Egypte heen gaan om het te straffen. Maar ziet hij bij een deur bloed aan de bovendorpel en aan de posten, dan zal hij die deur voorbijgaan, hij zal de doodsengel geen toestemming geven om uw huizen binnen te gaan en u te treffen. 24Dit voorschrift blijft voor u en uw kinderen voor altijd van kracht. 25Ook als u eenmaal in het land bent dat de HEER u zal geven, zoals hij heeft beloofd, moet u dit gebruik in ere houden. 26En als uw kinderen dan vragen: “Wat betekent dit gebruik?” 27antwoord dan: “Wij brengen de HEER een pesachoffer omdat hij de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan toen hij de Egyptenaren strafte; ons heeft hij gespaard.”’ Toen knielden de Israëlieten en bogen ze zich diep neer, 28en ze deden wat de HEER aan Mozes en Aäron had bevolen.

Lied 267 : 1 en 3
1          Wees bij ons, wees ons een geleide
bij het verdwijnen van de dag.
Wij wachten U, begin en einde,
in wie ons leven rusten mag.

3          U kennen wij als een bevrijder,
Gij hoort het mensenkind dat schreit.
Ook als de nacht valt, blijf ons leiden,
troost ons met uw barmhartigheid.

HET LIJDENSVERHAAL NAAR DE EVANGELIST JOHANNES

Johannes 18, 1-11
1Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn leerlingen. 2Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. 3Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. 4Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ 5Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik ben het,’ zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond. 6Toen hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond. 7Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’ 8‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het,”’ zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’ 9Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt, heb ik verloren laten gaan.’ 10Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf. 11Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?’

Lied 587 : 1
Licht voor de wereld, geeft U zich gevangen
in deze nacht van duistere belangen?
Ik zoek U, Heer, en vraag U: maak mijn oren
heel om te horen.

Johannes 18, 12-27
12De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem. 13Ze brachten hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester 14en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’ 15Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, 16maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. 17Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet,’ zei hij. 18De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen.
19De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. 20Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. 21Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’ 22Toen Jezus dat zei gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ 23Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ 24Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.
25Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’ vroegen ze. ‘Nee,’ ontkende Petrus, ‘ik niet.’ 26Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?’ 27Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan.

Lied 587 : 2
Eén mens moet sterven om een volk te redden.
Door uw gehoorzaam lijden kan ik verder,
warm ik mij aan uw liefde die niet loochent.
Open mijn ogen.

Johannes 18, 28-40
28Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. 29Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ 30Ze antwoordden: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ 31Pilatus zei: ‘Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ 32Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou.
33Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ 34Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ 35‘Ik ben toch geen Jood,’ antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd – wat hebt u gedaan?’ 36Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ 37Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben,’ zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’ 38Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’
Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden,’ zei hij. 39‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat – wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 40Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger. 

Lied 587 : 3
Hemelse koning, door God uitgekozen,
waarom staat U terecht als rechteloze?
U hebt geen schuld, de waarheid is geschonden.
U draagt mijn zonden.

Johannes 19, 1-16a
1Toen liet Pilatus Jezus geselen. 2De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen mantel aan. 3Ze liepen naar hem toe en zeiden: ‘Leve de koning van de Joden!’, en ze sloegen hem in het gezicht. 4Pilatus liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ 5Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is hij, de mens,’ zei Pilatus. 6Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’ 7De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ 8Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. 9Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. 10‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’ 11Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ 12Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ 13Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. 14Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is hij, uw koning.’ 15Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’ 16Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen.

Lied 587 : 4
Hier is God zelf, ontdaan van alle glorie,
de mens die uit de hemel is geboren.
Ik ben de gesel die hem openhaalde,
ik laat hem vallen.

Johannes 19, 16b-30
Zij voerden Jezus weg; 17hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. 18Daar kruisigden ze hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. 19Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. 20Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. 21De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’ 22‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,’ was het antwoord van Pilatus.
23Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. 24Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn gewaad.’ Dat is wat de soldaten deden.
25Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. 26Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ 27en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.
28Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ 29Er stond daar een vat zure wijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. 30Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.

de Paaskaars wordt gedoofd

STILTE

Lied 587 : 5
Jezus, gekruisigd – met ontzag en deernis
zie ik uw zorg voor moeder en voor leerling,
liefde is dorst naar vrede zonder einde,
water dat wijn wordt.

Johannes 19, 31-37
31Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. 32Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. 33Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. 34Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. 35Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. 36Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ 37Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’

Lied 587 : 6
Zing met de psalm: geen woord is er gebroken –
de waarheid is gezien om te geloven.
Daarom Heer Jezus, met de ooggetuige
wil ik mij buigen.

Johannes 19, 38-42
38Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea – die uit vrees voor de Joden in het geheim een leerling van Jezus was – aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee. 39Nikodemus, die destijds ’s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra. 40Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. 41Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. 42Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.

Lied 587 : 7
Rijke geschenken zou ik willen geven,
eerbied en dank, de mirre van mijn leven.
Eer aan de Heer, die dood en duister keerde,
Licht voor de wereld.

Orgelmeditatie

ONDER HET KRUIS

Eeuwige, onze God
het licht is gedoofd:
uw Zoon is uit ons midden weggedaan,
Hij is vermoord.
De Bijbel is dichtgeslagen:
er valt niets meer te zeggen.

En wij zijn stil,
geschokt, verbijsterd, verslagen
alsof dit niet elke dag gebeurt,
alsof niet iedere dag
een mens die opstaat
tegen onrecht en angst en dwang en geweld
die, in uw Naam,
zegt dat de wereld anders zijn kan en zijn moet
wordt gedood.
En wat doen wij?

Wij zijn stil,
geschokt, verbijsterd, verslagen.

Heer, onze God,
vol van liefde en genade,
zie ons aan met mededogen
laat ons niet alleen.

STILTE

GEBED

Eeuwige, onze God, vergeef ons onze schuld
wanneer wij uw Koninkrijk met de mond belijden
en met onze daden ontkennen.
En wij erkennen: met onze wankelmoedigheid hebben wij uw Zoon verloochend.

Vergeef ons onze schuld
wanneer wij zeggen van U te houden
maar aan U en medemens voorbijgaan.
En wij erkennen: met onze hypocrisie hebben wij uw Zoon verraden.

Vergeef ons onze schuld
als wij het niet opbrengen te leven als uw Zoon
naar onze bestemming, vanuit onze oorsprong.
En wij erkennen: met onze gemakzucht hebben wij uw Zoon ontkend.

Vergeef ons onze schuld
als wij toekijken hoe uw Zoon gekruisigd wordt
in iedere mens die gedood wordt
omdat hij liefde predikt, rechtvaardigheid eist,
vertelt dat de wereld anders zijn kan.
En wij erkennen: met onze onverschilligheid hebben wij uw Zoon genegeerd.

Heer, onze God,
God vol van liefde en genade
die trouw is tot in eeuwigheid
die zonden vergeeft
houd ons vast in uw liefde
laat de dood van uw Zoon niet tevergeefs zijn
laat ons leven.

Amen
Lied 247 : 1 en 3
1          Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt.
De nacht valt in, waarin geen licht meer straalt.
Andere helpers, Heer, ontvallen mij.
Der hulpelozen hulp, wees mij nabij.

3          U heb ik nodig, uw genade is
mijn enig licht in nacht en duisternis.
Wie anders zal mijn leidsman zijn dan Gij?
In nacht en ontij, Heer, blijf mij nabij.

AVONDGEBED

v:         In uw handen, Heer mijn God, beveel ik mijn geest.
g:         In uw handen, Heer mijn God, beveel ik mijn geest.

Slotwoorden
Moge de Eeuwige ons in het donker van de nacht nabij zijn.

In stilte verlaten we de kapel.

terug